direct naar inhoud van 4.4 Lucht
Plan: Spreiding Maastrichtse Coffeeshops: Köbbesweg
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0935.bpSMCKobbesweg-on01

4.4 Lucht

Om een beeld te krijgen wat de invloed van het plan is op de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan en de omgeving is een luchtkwaliteitsonderzoek (bijlage 5 van het MER) uitgevoerd.

Doel is het berekenen en toetsen van de luchtverontreinigende stoffen afkomstig van de verkeersaantrekkende werking door het plan op de omgeving. De berekende waarden voor de verschillende stoffen worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5.

In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffenstikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Deze twee stoffen liggen in Nederland het dichtst bij de gestelde grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit. Overschrijdingen van de andere genoemde stoffen komen in Nederland nauwelijks meer voor. Fijn stof en stikstofdioxide zullen dus bepalen of er rond planontwikkeling een luchtkwaliteitsprobleem is. In dit onderzoek is alleen ingegaan op de concentraties van deze stoffen.

De Wet luchtkwaliteit geeft aan dat gestelde grenswaarden in acht genomen moeten worden. Daar waar al een overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, mag door realisatie van het plan geen verslechtering optreden. De concentraties worden deels bepaald door de ter plaatse heersende achtergrondconcentraties.

Wettelijk kader

Bij Wet van 11 oktober 2007 (tot wijziging van de Wet milieubeheer) zijn normen (grenswaarden en plandrempels) vastgesteld voor onder andere de concentraties zwaveldioxide (SO2), stikstofdioxide (NO2), zwevende deeltjes (fijn stof (PM10)), koolmonoxide (CO) en benzeen (C6H6) in de lucht. Deze normen zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer en gebaseerd op de waarden in de tot voor kort van kracht zijnde Europese Kaderrichtlijn en dochterrichtlijnen voor luchtkwaliteit.

Een grenswaarde geeft de kwaliteit aan, die op een aangegeven tijdstip tenminste moet zijn bereikt. Een plandrempel is het kwaliteitsniveau, dat bij overschrijding aanleiding geeft tot het opstellen van een plan, waarin aangegeven wordt op welke wijze kan worden voldaan aan bepaalde waarden.

Op 11 juni 2008 is de nieuwe Europese Richtlijn betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (20 mei 2008) gepubliceerd. Daarmee zijn de oude kaderrichtlijn en de dochterrichtlijnen komen te vervallen. Een belangrijke toevoeging in de nieuwe Europese richtlijn is een grenswaarde voor het meest schadelijke fijn stof, PM2,5. Vanaf 2015 dient te worden voldaan aan een jaargemiddelde grenswaarde van 25 µg/m3.

Vooralsnog wordt PM10 nog als maatgevend gezien bij overschrijdingen van de grenswaarden. Wanneer de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden zal dat ook het geval zijn voor PM2,5. Er vindt op dit moment nog onderzoek plaats naar de concentraties en toetsing van PM2,5. De nieuwe richtlijn is daarom nog niet in zijn geheel geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving.

Wet milieubeheer
Op 15 november 2007 is de zogenoemde Wet luchtkwaliteit, hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm), in werking getreden ter vervanging van het Besluit luchtkwaliteit 2005. In deze wet is gestreefd naar meer flexibiliteit als het gaat om de koppeling van luchtkwaliteitseisen en ruimtelijke ontwikkelingen. Deze flexibiliteit is met name terug te vinden in een verdeling in projecten die wel of niet in betekenende mate ((N)IBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit. NIBM-projecten hoeven niet langer getoetst te worden aan de grenswaarden.

Tegelijk met het inwerking treden van het nieuwe hoofdstuk 5 in de Wet milieubeheer zijn nieuwe regelingen van kracht geworden. Alle regelingen onder het Besluit luchtkwaliteit 2005 zijn hiermee komen te vervallen.

Nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit
Om te kunnen voldoen aan de grenswaarden heeft het ministerie van VROM het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) ontwikkeld. Het NSL is een samenhangend pakket van ruimtelijke en infrastructurele projecten en maatregelen van Rijk en regio's, die de luchtkwaliteit verbeteren. Ook staan in het NSL financiële middelen van het Rijk voor de maatregelen die gemeenten en provincies nemen. Tenslotte bevat het NSL een onderzoeksysteem waarmee gevolgd kan worden of de maatregelen inderdaad het beoogde effect hebben.

Op 7 april 2009 heeft de Europese Commissie Nederland uitstel ('derogatie') verleend voor fijn stof (PM10) tot midden 2011 en voor stikstofdioxide (NO2) tot 1 januari 2015, omdat het NSL voldoende garandeert dat hiermee binnen de gestelde termijnen wel aan de grenswaarden kan worden voldaan. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden.

Besluit niet in betekenende mate

In het Besluit niet in betekenende mate en de daarop gebaseerde Regeling niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) is geregeld welke projecten niet meer getoetst hoeven te worden. Na verlening van derogatie en de inwerkingtreding van het NSL per 1 augustus 2009 is de definitie van NIBM verschoven van 1% naar 3% van de grenswaarde. Projecten, die maximaal 3% van de grenswaarde (= 1,2 µg/m3 voor zowel NO2 als PM10) bijdragen aan de lokale luchtkwaliteit vallen onder de definitie van NIBM en hoeven niet meer getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wm. De 1%- of 3%-bijdrage is in de Regeling NIBM voor bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen, zoals woningbouwlocaties, omgezet in eenduidige kengetallen, die de criteria vormen of wel of niet sprake is van een NIBM-project.

Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007
Op 15 november 2007 is eveneens de Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007 in werking getreden. Op grond van artikel 5.16 Wm kunnen projecten in overschrijdingssituaties, die in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, toch doorgang vinden door toepassing van de regeling projectsaldering. Deze regeling gaat ervan uit dat per saldo, door de inzet van extra maatregelen of door het optreden van gunstige effecten elders, sprake is van een verbetering van de luchtkwaliteit. In het eerste lid van artikel 5.16 Wm wordt de minister de mogelijkheid geboden om nadere regels te stellen. Dit is nu gebeurd in de Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007. De Regeling sluit zo veel mogelijk aan bij de (oude) Regeling saldering luchtkwaliteit 2005.

Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007
De Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (kortweg: Rbl2007) bevat voorschriften over metingen en berekeningen om de concentratie en depositie van luchtverontreinigende stoffen vast te stellen. De regeling vereist ook een plan met maatregelen om een goede luchtkwaliteit te bewerkstelligen in geval van overschrijding.

In de regeling zijn gestandaardiseerde rekenmethodes opgenomen om concentraties van diverse luchtverontreinigende stoffen te kunnen berekenen. In de regeling zijn ook voorschriften opgenomen voor metingen met betrekking tot meetplaatsen en analyse.

Besluit gevoelige bestemmingen
Op 15 januari 2009 is het Besluit "gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)" in Staatsblad nr. 14 gepubliceerd, waarna het besluit op 16 januari in werking getreden is. Met deze AMvB wordt de bouw van zogenaamde 'gevoelige bestemmingen', zoals een school, in de nabijheid van (snel)wegen beperkt.

Conclusie

Het doel van het onderzoek naar de luchtkwaliteit is het vaststellen van de luchtkwaliteit (met NO2 en PM10 als belangrijkste stoffen) langs de relevante wegen, indien de ontwikkelingen gerealiseerd zijn/worden.

De situaties die nader bekeken zijn, zijn de situaties autonoom 2009, autonoom 2010, 2010 spreiding, 2010 spreiding +, autonoom 2015, 2015 spreiding, 2015 spreiding +, autonoom 2020, 2020 spreiding en 2020 spreiding +.

De luchtkwaliteit is onderzocht langs de wegen, waarop de invloed van het spreidingsplan coffeeshops nog merkbaar kan zijn. Het onderzoek is uitgevoerd conform het gestelde in de "Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007". De berekeningen zijn uitgevoerd met het rekenprogramma CARII.

Uit de rekenresultaten volgt dat voor de situatie autonoom 2009 voor NO2 de 40 µg/m3 op één locatie licht overschreden wordt. In 2009 geldt echter nog geen grenswaarde voor NO2, maar een plandrempel van 42 ug/m3. Hieraan wordt wel voldaan. De grenswaarde voor NO2 gaat in 2015 in, maar in 2010 wordt hieraan al voldaan. Verder is er geen sprake van overschrijdingen. Uit de rekenresultaten volgt dat langs geen enkele in beschouwing genomen weg de grenswaarden vermeld in de Wet luchtkwaliteit (Wm, hoofdstuk 5) worden overschreden.

De verlaging in de loop der tijd van de concentraties NO2 en PM10 wordt vooral veroorzaakt door de afname van het achtergrondniveau maar ook door afname van de verkeersintensiteiten en in mindere mate door een afname van de emissies van de voertuigen.

De maximale toename van het scenario 2010 spreiding + (worst-case scenario) ten opzichte van de autonome situatie 2010 bedraagt voor NO2 maximaal 1 µg/ m3. Voor PM10 is dit maximaal 0.3 µg/ m3. Deze toename is niet in betekenende mate (NIBM). Dit houdt in dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging van de omgeving.

Vanuit het milieuaspect 'luchtkwaliteit' zijn er geen bezwaren tegen realisatie van dit plan.