direct naar inhoud van 2.3 Rijksbeleid
Plan: Spreiding Maastrichtse Coffeeshops: Köbbesweg
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0935.bpSMCKobbesweg-on01

2.3 Rijksbeleid

2.3.1 Nota Ruimte

De Nota Ruimte (Ministerie van VROM, 2006) bevat de visie van het kabinet op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland en de belangrijkste bijbehorende doelstellingen voor de komende decennia. Met de bekendmaking op 27 februari 2006 in onder andere de Staatscourant is de Nota Ruimte formeel in werking getreden.

In de Nota Ruimte zijn de uitgangspunten voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland vastgelegd en worden de inrichtingsvraagstukken die spelen tussen nu en 2020 met een doorkijk naar 2030 aan de orde gesteld. In de nota worden de hoofdlijnen van beleid aangegeven, waarbij de ruimtelijke hoofdstructuur van Nederland (RHS) een belangrijke rol zal spelen.

De voornaamste ruimtelijke beleidsopgaven die het kabinet ziet voor de kortere en langere termijn zijn:

  • versterking van de internationale concurrentiepositie van Nederland;
  • bevordering van krachtige steden en een vitaal platteland;
  • borging en ontwikkeling van belangrijke (inter)nationale ruimtelijke waarden;
  • borging van de veiligheid.

In de nota staat 'ruimte voor ontwikkeling' centraal en gaat het kabinet uit van het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet'. Deze nota ondersteunt gebiedsgerichte, integrale ontwikkeling waarin alle betrokkenen participeren. Het accent verschuift van 'toelatingsplanologie' naar 'ontwikkelingsplanologie'. 'Ruimte voor ontwikkeling' betekent ook dat het rijk voor ruimtelijke waarden van nationaal belang waarborgen creëert om die te kunnen behouden en ontwikkelen. De beperkte oppervlakte die in Nederland ter beschikking staat, noodzaakt de verschillende partijen daar zorgvuldig en zuinig mee om te gaan.

Het is de verantwoordelijkheid van provincies en (samenwerkende) gemeenten om dit generieke ruimtelijke beleid concreet gestalte te geven en integraal op elkaar af te stemmen zowel bij planvorming als uitvoering en daarmee te zorgen voor basiskwaliteit. Uitzondering hierop vormen vastgelegde rijksverantwoordelijkheden, zoals die voor de hoofdinfrastructuur.

Verbetering van de sociale veiligheid is een integraal onderdeel van het beleid gericht op krachtige steden. De sociaal-economische en sociaal-culturele problemen van de vier grote steden en van de middelgrote steden vragen om een passend antwoord van het rijk. De achteruitgegane leefbaarheid en de tweedeling tussen rijke tegenover arme stadsdelen en buurten, maar ook tussen een relatief arme, multiculturele stad versus een relatief rijk, autochtoon ommeland, vraagt om een scala aan maatregelen.

Een deel daarvan heeft een ruimtelijk karakter. De nota schept de juiste voorwaarden om de midden- en hogere inkomensgroepen aan de stad te binden en meer in het algemeen de kansen en mogelijkheden die de bestaande steden en de infrastructuur bieden, optimaal te benutten. Achterstanden worden op korte termijn aangepakt.

Krachtige steden zijn steden die veilig zijn, en die in alle opzichten voldoen aan de - steeds hogere - eisen die bewoners, bedrijven, instellingen, bezoekers en recreanten aan een stad stellen. Ze bieden een breed scala aan voorzieningen op onder meer het gebied van zorg, welzijn, kunst, cultuur, onderwijs, recreatie en sport. Krachtige steden zijn tevens economisch vitaal, bieden hoogwaardige vestigingslocaties en werk aan wie dat zoekt en hebben daarnaast een hechte sociale samenhang. Het gaat kortom om steden die kansen bieden aan burgers en veilig en prettig zijn om in te verblijven.

Meer variatie in het aanbod van woningen, voorzieningen en woonmilieus is in dit verband cruciaal. Herstructurering, stedelijke vernieuwing, transformatie en ontwikkeling van stedelijke centra hebben om die reden een plek gekregen in deze Nota Ruimte.

Maar ook een goede regionale bereikbaarheid en de beschikbaarheid van voldoende bedrijventerreinen van de juiste kwaliteit is essentieel voor het stedelijk vestigingsklimaat en de kracht van de steden. In veel Nederlandse regio's is sprake van een krappe voorraad aan bedrijventerreinen. Het rijk stimuleert de ontwikkeling van nieuwe terreinen en de modernisering van reeds bestaande, soms verouderde terreinen. Revitalisering van deze bedrijventerreinen leidt niet alleen tot een hogere productiviteit en een efficiënter ruimtegebruik, maar kan ook de leefbaarheid vergroten.

Op economisch en sociaal-cultureel gebied verandert de samenleving. Dit komt tot uitdrukking in de ontwikkeling van de netwerksamenleving en -economie. Deze zijn onder meer het resultaat van verdergaande internationalisering en specialisatie die optreedt in veel economische sectoren en van verdergaande schaalvergroting van de steden in aansluiting op de eerdere suburbanisatie. Er is tegelijkertijd sprake van verdergaande individualisering, emancipatie en integratie van diverse bevolkingsgroepen, een afnemende bevolkingsgroei en een steeds grotere diversiteit en pluriformiteit van de Nederlandse samenleving.

Deze ontwikkelingen zijn van invloed op het ruimtelijk gedrag in het algemeen en op verplaatsings- en migratiepatronen in het bijzonder. Waar de stedelijke problemen vooral op het niveau van de steden en de buurgemeenten spelen, zo zijn de kansen op langere termijn in belangrijke mate gelegen op een hoger schaalniveau: dat van de stedelijke netwerken. Samenwerking, afstemming en taakverdeling tussen steden en stedelijke regio's zijn hierbij belangrijk. Datzelfde geldt voor behoud van het stedelijk draagvlak voor voorzieningen, benutting van reeds gedane investeringen (in onder meer infrastructuur) en behoud van voldoende stedelijke 'massa' en de daarbijbehorende economische agglomeratievoordelen. Met name in de nationale stedelijke netwerken is het daarnaast van belang dat er ruimte is voor vrijetijdsvoorzieningen ('leisure'). Het kabinet draagt er in de nota aan bij dat de grote en middelgrote steden de problemen kunnen aanpakken en de kansen kunnen benutten en daarmee geschikt zijn voor de hier geschetste veranderende samenleving.

De Nota Ruimte bevat geen specifieke uitgangspunten ten aanzien van het initiatief tot spreiding van de Coffeecorners. De spreiding van de Coffeecorners draagt echter bij aan de verbetering van de sociale veiligheid. Dit vormt een integraal onderdeel van het beleid gericht op krachtige steden. Krachtige steden zijn steden die veilig zijn, en die in alle opzichten voldoen aan de - steeds hogere - eisen die bewoners, bedrijven, instellingen, bezoekers en recreanten aan een stad stellen. Met de spreiding van de coffeecorners wordt dit proces bevorderd.

2.3.2 Wet ruimtelijke ordening

De Wet ruimtelijke ordening is per 1 juli 2008 van kracht geworden. Er zijn nieuwe instrumenten gekomen met een andere inhoud en strekking waarmee ruimtelijke ontwikkelingen kunnen plaatsvinden, met name voor rijk en provincies. Daarnaast is een belangrijke verandering dat de provincie niet meer verplicht goedkeuring behoeft te geven voor gemeentelijke bestemmingsplannen.

De nieuwe Wro verandert niets aan de planologische gang, die gevolgd moet worden voor de initiatieven. Wel is het onderhavige bestemmingsplan opgesteld conform de systematiek zoals deze op basis van de Wro geldt. Het bestemmingsplan zal, in het kader van het vooroverleg, worden besproken met de Provincie Limburg en het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.

2.3.3 4e Nota waterhuishouding en Watervisie

De planperiode voor de 4e Nota Waterhuishouding (Ministerie van V&W, 1998) liep tot 2006. Pas in 2009 komt het kabinet met een opvolger: het eerste Nationale Waterplan.

Dit wordt een integrerend waterplan voor toekomstig waterbeleid. Met de Watervisie (Ministerie van V&W, 2007) is het proces gestart richting het Nationale Waterplan. In deze Watervisie zijn de belangrijkste beleidspunten voor de komende jaren benoemd. Omdat de 4e Nota Waterhuishouding nog tot 2009 het formele kader is voor het waterbeheer zijn relevante onderdelen uit deze nota in dit hoofdstuk opgenomen. Vervolgens zijn relevante speerpunten vanuit de Watervisie opgenomen.

4e Nota waterhuishouding

De hoofddoelstelling van het beleid is het 'hebben en houden van een veilig en bewoonbaar land en het in stand houden en versterken van gezonde, veerkrachtige watersystemen, waarmee een duurzaam gebruik blijft gegarandeerd'. Een gebiedsgerichte aanpak staat hierbij centraal.

De realisatie van de Coffeecorner, zoals geanalyseerd in het MER, doet geen afbreuk aan de hoofddoelstelling "het hebben en houden van een veilig en bewoonbaar land". Hier wordt nader op ingegaan in paragraaf 4.6 Waterparagraaf. Dit bestemmingsplan isvoorgelegd aan het Waterschap in het kader van het vooroverleg.

Watervisie (2007)

Met de Watervisie geeft het kabinet een nieuwe impuls aan het waterbeleid. Op basis van duurzaamheid zijn vijf speerpunten benoemd, gericht op klimaatbestendigheid, een sterke economie, duurzaam leven met water, waterkennis wereldwijd inzetten en het betrekken van meer mensen bij water.

De watervisie benoemt geen concrete maatregelen of acties die betrekking hebben op de realisatie van deze coffeecorner.

2.3.4 Watertoets

De watertoets is een sinds 1 november 2003 verplicht te doorlopen proces en heeft tot doel in een vroegtijdig stadium de wateraspecten mee te laten wegen in ruimtelijke plannen. Het watertoetsproces resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf. In de waterparagraaf wordt een beschrijving gegeven van de huidige waterhuishoudkundige situatie, de toekomstige situatie en op welke wijze in de planvorming met de wateraspecten rekening is gehouden en geeft inzicht in mitigerende en/of compenserende maatregelen.

De gezamenlijke waterbeheerders 'toetsen' de waterparagraaf op van tevoren vastgestelde toetsingscriteria en geven een wateradvies.

De Watertoets doorloopt een viertal fasen, te weten initiatieffase, advies- en ontwerpfase, besluitvormingsfase en beoordelingsfase.

In de Waterparagraaf van deze toelichting (paragraaf 4.6) zal de waterhuishoudkundige situatie uiteen worden gezet. Deze paragraaf is in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan het Waterschap (zie ook Hoofdstuk 6 Maatschappelijke- en economische uitvoerbaarheid).

2.3.5 Nationaal milieubeleidsplan

In 2001 verscheen het vierde Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4). In het NMP4 is het doel gesteld om per 2030 de afwenteling van milieuproblemen op volgende generaties en op mensen in arme landen stoppen. Dit kan worden bereikt door de grote milieuproblemen in clusters aan te pakken: energiehuishouding, biodiversiteit en hulpbronnen, milieudruk door de landbouw, stoffen, externe veiligheid, milieu en gezondheid en milieubeleid en de leefomgeving. Veranderingen kunnen worden georganiseerd via systeeminnovatie.

Het Nationaal Milieubeleidsplan biedt geen concrete uitgangspunten en randvoorwaarden voor de verplaatsing van de coffeecorners.

2.3.6 Beleidslijn Grote rivieren

Bij de toepassing van de Beleidslijn Ruimte voor de Rivier in de afgelopen jaren is de vraag gerezen of het huidige, voor regionale ruimtelijk-economische ontwikkelingen restrictieve karakter van de Beleidslijn, niet omgebogen zou moeten worden en een ontwikkelingsgerichter accent zou moeten krijgen. Uit de evaluatie blijkt dat de Beleidslijn effectief is geweest in het behoud van de bestaande ruimte voor de rivier maar dat deze tegelijkertijd als te star en rigide ervaren wordt. Naar aanleiding van de evaluatie wordt aanbevolen de Beleidslijn aan te passen. Inmiddels heeft het kabinet de Beleidslijn Grote Rivieren vastgesteld als opvolger van de Beleidslijn ruimte voor de Rivier en geldt voor alle grote rivieren.

De Beleidslijn Grote Rivieren geldt voor alle grote rivieren en is bedoeld om plannen en projecten in het rivierbed te kunnen beoordelen. Onder voorwaarden worden zo mogelijkheden geboden voor wonen, werken en recreëren in het rivierbed. Deze voorwaarden hebben betrekking op de afvoercapaciteit van de rivier ter plaatse: nieuwe activiteiten mogen de waterafvoer niet hinderen en geen belemmering vormen voor toekomstige verruiming van het rivierbed.

De Beleidsregels Grote rivieren bieden een kader voor de beslissing omtrent de toelaatbaarheid vanuit rivierkundig opzicht die nodig is voor het verkrijgen van een vergunning op grond van de Waterwet / Waterbesluit. Het Waterbesluit bevat in de bijlagen een lijst van oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk die dienst doen als grondslag om een begrenzing van de verguningsplicht voor het gebruik van waterstaatwerken.

Onderstaande afbeelding is een uitsnede van het kaartmateriaal behorende bij het Waterbesluit (lijst oppervlaktelichamen) (gele arcering; locatie is aangeduid met een rode cirkel).

afbeelding "i_NL.IMRO.0935.bpSMCKobbesweg-on01_0005.png"

Resumé

Uit bovenstaande afbeelding blijkt dat het plangebied deel uitmaakt van het gebied dat is vrijgesteld van de vergunningsplicht voor het gebruik van het waterstaatswerk.

Er is ten behoeve van de uitvoering van dit bestemmingsplan dus geen vergunning in het kader van de Waterwet noodzakelijk. Als gevolg van de ligging nabij de Maas kan in deze gebieden wel wateroverlast (hoog water) optreden. Bij schade als gevolg hiervan kan geen schadevergoeding verhaald worden op het Rijk. In paragraaf 4.6 Waterparagraaf van deze toelichting zal hier nader op worden ingegaan.

2.3.7 Nota Mobiliteit

De nota Mobiliteit is het nationaal verkeers- en vervoersplan tot 2020. Centraal staat dat mobiliteit een noodzakelijke voorwaarde is voor economische en sociale ontwikkeling. In de Uitvoeringsagenda staat beschreven hoe uitvoering wordt gegeven aan de Nota Mobiliteit.

De inhoud van de nota werkt door in provinciale en regionale plannen. Daarom wordt er hier verder niet ingegaan op de inhoud van deze nota.

2.3.8 Structuurschema groene ruimte

Het Structuurschema Groene Ruimte (SGR) is een van de structuurschema's waarin afspraken over natuur en het landelijk gebied staan. De nota richt zich op het behoud, herstel en ontwikkeling van wezenlijke natuurlijke kenmerken en waarden.

Het initiatief tot ontwikkeling van de coffeecorners is mede gericht op behoud natuurwaarden ter plaatse van de locatie Kobbesweg. In het onderdeel Ecologie zal hier nader op worden ingegaan.