Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Itteren-Borgharen
Status: ontwerp
Plan identificatie: NL.IMRO.0935.bpItterenBorgharen-ow01

4.1 Water

 
De watertoets is een procesinstrument dat als doel heeft te komen tot een betere inbreng van wateraspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. De kern bestaat uit een set van procedure afspraken, vormvereisten en inhoudelijke aandachtspunten en wordt toegepast binnen de bestaande procedures en regelgeving. Voor initiatiefnemers van ruimtelijke plannen en besluiten, met name gemeenten en waterschappen, is het van belang om te weten dat de provincie toeziet of in ruimtelijke plannen en besluiten aan de watertoets gevolg wordt en is gegeven. De watertoets is van toepassing op bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen (grotere projecten). De initiatiefnemer van een ruimtelijk plan dient in principe de watertoets uit te voeren en de uitkomsten daarvan aan te geven in een waterparagraaf. De waterhuishoudkundige aspecten omvatten onder meer veiligheid voor water, wateroverlast, waterkwaliteit en verdroging.
 
De gemeente Maastricht valt in de zin van wateraangelegenheden binnen de Keur van het Waterschap Roer en Overmaas. Conform het stroomschema van het Waterschap Roer en Overmaas dienen bestemmingsplannen te worden ingediend bij het Watertoetsloket. Voor het voorliggende conserverende bestemmingsplan kan worden volstaan met een beschrijving van het watersysteem: er vinden geen wijzigingen plaats in de waterhuishouding binnen het plangebied, het plan voorziet niet in nieuwe initiatieven en er is derhalve geen sprake van een toename van verharding.
 
Centraal staat dat alle toekomstige initiatieven voor wat betreft het watersysteem moet aansluiten bij de natuurlijke waterkringloop en de trits vasthouden-bergen-afvoeren. Dit betekent dat schoon hemelwater van verhardingen niet met het huishoudelijk afvalwater wordt afgevoerd naar de zuiveringsinstallatie, maar wordt geïnfiltreerd of geborgen op lokaal niveau. Voor nieuwe bebouwing wordt gestreefd naar een volledig gescheiden rioolstelsel (en maximaal 20% verharding aangesloten op riolering). Voor bestaand stedelijk gebied is het doel om 20% van het bestaand verhard oppervlak op middellange termijn af te koppelen. De belangrijkste ruimtegerelateerde doelstellingen zijn:
  • aansluiten bij de natuurlijke waterkringloop door het afkoppelen van verhard oppervlak van de riolering;
  • zoveel mogelijk voldoen aan de watervraag van de functies;
  • voor schoon oppervlaktewater is het sanering of verminderen van overstorten uit de riolering ook een belangrijk middel.
 
Vanuit het streven naar een duurzaam regenwaterbeheer geldt voor (vervangende) nieuwbouw een afkoppelbeleid. Bij voorkeur wordt het regenwater geïnfiltreerd in de bodem. Het regenwater dient dan schoon te blijven en licht verontreinigd regenwater wordt gezuiverd. Daarnaast dient wateroverlast te worden voorkomen. Hiertoe het het Waterschap een voorkeurstabel opgesteld, waarbij de voorkeursmaatregelen voor grondoppervlakken, dakoppervlakken, hergebruik, beheer en dimensionering worden weergegeven. De waterbeheerders hanteren de voorkeursvolgorde vasthouden c.q. infiltreren, bergen en afvoeren. De voorkeur gaat uit naar open bovengrondse centrale infiltratievoorzieningen met een bodemfilter. Wanneer niet geïnfiltreerd kan worden, mag vertraagd worden geloosd op oppervlaktewater. In het bijzonder in het Maasdal dient bij de aanleg van infiltratievoorzieningen te worden voorkomen dat de slecht doorlatende deklaag wordt doorbroken. Dit om extra rivierkwel te voorkomen. Voor de dimensionering van voorzieningen dient te worden uitgegaan van een bui van 35 mm in 45 minuten. De voorzieningen dienen binnen 24 uur weer beschikbaar te zijn voor een volgende gebeurtenis. Voor het mogelijk maken van toekomstige afkoppelprojecten en voor het klimaatbestendig maken van de stad, streeft Maastricht naar het realiseren van een aaneengesloten regenwaterstructuur. Nieuwe ontwikkelingen zullen hieraan worden getoetst.
 
Voor dit bestemmingsplan is van belang dat het plangebied is gelegen binnen het rivierbed van de Maas en daarbij deel uit maakt van het waterbergend en stroomvoerend deel van dit rivierbed. De consequenties hiervan voor dit bestemmingsplan zijn weergegeven in paragraaf 2.2 van deze toelichting.
 
Het plangebied is eveneens gelegen binnen de beschermingszone van de primaire waterkering Borgharen en de primaire waterkering Itteren. Deze waterkeringen zijn gericht op het keren van het water bij hoge afvoeren van de Maas. De primair waterkering Borgharen bestaat grotendeels uit een groene waterkering (aarden wal). Ten zuiden van de Bovenstraat en Grotedries is tevens sprake van een kademuur. De primaire waterkering Itteren bestaat ook grotendeels uit een groene waterkering. Het westelijk deel van de waterkering bestaat uit een waterkering en uit een demontabele kademuur. De waterkeringen vormen geen onderdeel van het plangebied, de bijbehorende beschermingszones van de waterkeringen daarentegen wel. Deze beschermingszones dienen ter voorkoming van ongewenste ontwikkelingen die de bereikbaarheid van de waterkering verminderen. Tevens dient deze beschermingszone om eventuele toekomstige verhogingen en verbredingen van de waterkering/kade mogelijk te houden. De beschermingszone is, voorzien van een bijbehorende regeling, op de verbeelding opgenomen. Na realisering van de rivierverruimende maatregelen van het Grensmaasproject geldt binnen de waterkering een beschermingsniveau van 1/250.
 
Zowel in Itteren alsook in Borgharen is een primaire open watergang (de Oude Kanjel en de Kanjel) met bijbehorende beschermingszone gelegen. Primaire wateren zijn bestemd voor waterhuishoudkundige doeleinden: het ontvangen, vasthouden, (tijdelijk) bergen en afvoeren van water, eventueel gecombineerd met infiltratie van water in de bodem. Op de primaire wateren Kanjel en Oude Kanjel zijn de gebods- en verbodsbepalingen van de Keur van het Waterschap Roer en Overmaas van toepassing. Dit geldt ook voor de bijbehorende beschermingszone die dient ter voorkoming van ongewenste ontwikkelingen die de bereikbaarheid van de watergang zouden kunnen verminderen en die eventuele toekomstige herinrichtingen of verbeteringen mogelijk moet houden. De primaire watergangen en de beschermingszones zijn, voorzien van een bijbehorende regeling, op de verbeelding opgenomen.
 
Daarnaast geldt dat binnen alle bestemmingen de realisatie van waterhuishoudkundige voorzieningen mogelijk wordt gemaakt.
 
Gezien de aard van het bestemmingsplan, een conserverend actualiserend bestemmingsplan zonder nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en wijzigingen in de waterhuishouding, is het aspect water daarmee in voldoende mate onderzocht en levert het aspect water geen belemmeringen op voor de uitvoering van het bestemmingsplan.