Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Maastricht Zuidoost
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0935.bpMtrichtZuidoost-vg01

3.1 Geologie en geomorfologie

 
Geologie: de diepere ondergrond
Het plangebied ligt in het dal van de West-Maas. De West-Maas is circa 2 miljoen jaar geleden ontstaan en vormt tot op de dag van vandaag het Maasdal. De diepere ondergrond (>10 m onder maaiveld) bestaat uit de Formaties van Gulpen en Maastricht, die grotendeels samengesteld zijn uit fijnkorrelige, zachte kalksteen ("mergel") en die als mariene afzettingen tijdens het Boven-Krijt in een ondiepe zee zijn gevormd (circa 99 tot 65 miljoen jaar geleden). In het daarop volgende geologische tijdvak, het Tertiair (circa 65 tot 2,5 miljoen jaar geleden), was het klimaat warm en vochtig, waardoor op grote schaal chemische verwering van de kalksteen optrad. Mede door dit geologische proces en de laterale erosie van de Maas heeft zich toen een uitgestrekte schiervlakte (peneplain) ontwikkeld. Vervolgens gedurende het Kwartair (circa 2,5 miljoen jaar geleden tot heden) hebben de Maas, andere rivieren en beken in Zuid-Limburg zich ingesneden in deze schiervlakte. In dit laatste geologische tijdvak hebben zich in Zuid-Limburg fluviatiele (door de Maas afgezet zand en grind) en eolische sedimenten (door de wind afgezette löss) gevormd. In geologisch opzicht behoren de fluviatiele Maasafzettingen tot de Formatie van Beegden (Laagpakket van Oost-Maarland) en de eolische afzettingen tot de Formatie van Boxtel (Laagpakket van Schimmert).
      
Geomorfologie
Het Maasdal bij Maastricht wordt gekenmerkt door een opeenvolging van rivierterrassen. Deze rivierterrassen zijn gevormd door sedimentatie en insnijding van de Maas tijdens de koude (glaciale) en warme (interglaciale) perioden van het Pleistoceen (circa 2,5 miljoen tot 11.500 jaar geleden) en Holoceen (11.500 jaar geleden tot heden). Tijdens de glaciale perioden (ijstijden) werden voornamelijk grove sedimenten (grind en zand) afgezet, terwijl in de interglacialen ook fijnere sedimenten (klei en leem) door de Maas werden afgezet. Als gevolg van de combinatie van tektonische opheffing van de Ardennen (en Zuid-Limburg), de afzetting van riviersedimenten en de periodieke insnijdingen van de Maas is een groot aantal rivierterrassen ontstaan. De hoogstgelegen terrassen zijn het oudst, terwijl de laagste terrassen vlakbij de Maas het jongst zijn en uit het einde van het Pleistoceen en het Vroeg-Holoceen dateren.
 
Het Terras van Geistingen
Het gebied van het bestemmingsplan bevindt zich grotendeels op het Terras van Geistingen, een restant van een oude, brede riviervlakte, die is gevormd vanaf het midden van de laatste ijstijd, het Weichselien (circa 116.000 tot 11.500 jaar geleden). Het grootste deel van het terras dateert uit het laatste koude stadiaal, de Jonge Dryas (circa 12.500 – 11.500 jaar geleden). Op de Geomorfologische Kaart van Nederland (zie navolgende afbeelding) wordt het Terras van Geistingen geclassificeerd als een relatief hooggelegen rivierdalbodem (eenheden: 2T5 en 3T5).
 
 
 
Buiten geulinsnijdingen, grindeilanden en terrasrugrestanten ligt de top van het grindrijke terras in deze vlakte op een hoogte van ongeveer 46 m+NAP in het noorden tot ongeveer 48 m+NAP in het zuiden van het plangebied. Aan het einde van de laatste ijstijd had de rivier een vlechtend geulenpatroon met meerdere ondiepe geulen en zand- en grindbanken. Periodiek was er zoveel aanbod van erosieproducten uit het achterland, dat een deel daarvan hier achterbleef. Het nieuw aangevoerd sediment, voornamelijk bestaand uit grinden en grove zanden, vulde de dalvlakte gedeeltelijk op. Ruggen en geulen hebben hierin globaal een zuid-noord oriëntatie.
Het plangebied grenst ten oosten van Heugem net aan het oudere en hogere Terras van Eisden-Lanklaar en de westelijke strook langs de Maas behoort tot de holocene dalvlakte.
 
Colluvium
Kenmerkend voor het Terras van Geistingen is het ontbreken van een eolisch lösspakket op de grove rivierafzettingen. Desalniettemin is aan de zuidoostrand van het bestemmingsplangebied een pakket verspoelde löss aanwezig in de vorm van colluvium. Löss is een zeer fijnkorrelig sediment dat tijdens de koudste en droogste perioden van het Pleistoceen, klimatologisch gekenmerkt door een poolwoestijn en de bijna volledige afwezigheid van vegetatie, door de wind is afgezet. Dit type sediment heeft het merendeel van de plateaus en Maasterrassen in Zuid-Limburg bedekt. Aan het begin van het Holoceen ontwikkelde zich op het lösspakket een dichtbegroeid vegetatiedek door het warmer en natter wordende klimaat, waardoor het sediment vast werd gehouden en bodemvormende processen op gang konden komen. Desalniettemin moet er op gewezen worden dat de zeer fijnkorrelige löss makkelijk geërodeerd kan worden door regenwater, zeker als er weinig tot geen vegetatie aanwezig is, bijvoorbeeld op braakliggende akkers. De geërodeerde löss wordt dan afgezet als colluvium aan de voet van hellingen van heuvels en terrassen, of wordt afgevoerd als sediment door rivieren zoals de Maas. Het colluvium is te herkennen als een zandiger en bruiner pakket sediment, waarin fijne grindjes worden aangetroffen en waarin geen duidelijke bodem is gevormd.
 
Binnen het gebied van het onderhavige bestemmingsplan komt colluvium voor aan de oostkant, waar het colluvium zich waarschijnlijk heeft afgezet als een uitspoelingswaaier aan de monding van erosiedalen in het aangrenzende hogere Maasterras van Eisden-Lanklaar. In de regel wordt verondersteld dat de erosie van de löss pas grootschalige vormen aannam na de ontginning van de plateaus en rivierterrassen, vaak gedateerd in de Romeinse tijd en middeleeuwen. Maar het kan zeker niet uitgesloten worden dat colluvium zich ook in eerdere perioden en mogelijk in het Vroeg-Holoceen heeft gevormd. In ieder geval kan colluvium oudere landschappen hebben afgedekt, die rijk kunnen zijn aan goed bewaarde archeologische resten.
 
Heugemse geul en Heugemse Overlaat
In het vroeg-Holoceen sneed de rivier zich in als gevolg van de klimaatverandering. Vanaf het moment van insnijding van de Maas werd het Geistingenterras, en daarmee het plangebied, beter bewoonbaar voor de mens, omdat hoogwaters minder frequent optraden. Enkele van de geulen die in het Jonge Dryas actief waren, verdiepten zich, andere werden opgevuld met sediment. Op grond van landschapsarcheologisch onderzoek in de omgeving van Itteren en Borgharen lijkt pas in het midden-Holoceen sprake van één hoofdgeul waarvan de ligging globaal overeenkomt met de huidige ligging van de Maas. Ten zuiden en oosten van Heugem stroomde waarschijnlijk in het Jonge Dryas een grote (ondiepe) geul, die nu bekend staat als de Heugemse geul. Deze geul was nog actief in het vroeg-Holoceen. In het plangebied is de exacte ligging niet goed bekend, maar vanaf het Europaplein liep de Heugemse geul verder naar het noorden richting Geusselt, om ter hoogte van Nazareth naar het westen af te buigen en de huidige loop van de Kanjelbeek te volgen. De lage delen van het landschap behoorden tot de Heugemse Overlaat, een gebied dat gedurende hoogwaterperioden van de Maas overstroomde. De Heugemse Overlaat was een waterstaatkundige constructie die tot doel had het overtollige overstromingswater van de Maas rondom Heugem en het oostelijk stadsdeel Wyck te leiden, waarna het ten noorden van Maastricht de Maas weer kon bereiken. In 1935 werd de Heugemse Overlaat ten zuidoosten van Wyck afgedamd, maar het Maasdal rondom Heugem zelf bleef blootgesteld aan overstromingen. Hieraan is pas een definitief einde gekomen met de aanleg van de dijk ‘Hoogeweerd’ in 1974.
 
Holocene afzettingen
In het Holoceen vervoerde de Maas vooral fijnkorrelig sediment dat bij hoogwaterstanden en overstromingen op het Terras van Geistingen werd afgezet in de vorm van verschillende leempakketten, met een dikte van enkele decimeters tot enkele meters. De sedimenten zijn vooral afgezet in het vroeg-Holoceen ("oude rivierklei") en in het laat-Holoceen vanaf de Romeinse tijd ("jonge rivierklei"). In het midden-Holoceen vonden weinig overstromingen plaats en werd weinig sediment afgezet. Het noordwestelijk deel van het bestemmingsplangebied (ten noorden en westen van Heugem) bestaat geheel uit jonge Maasafzettingen die vermoedelijk gevormd zijn vanaf de Romeinse tijd.
 
Bodemgesteldheid
In het plangebied worden verschillende bodems onderscheiden. Deze zijn geclassificeerd als oude en jonge rivierkleigronden of als leemgronden in colluvium (verspoelde löss). Kleine delen van het bestemmingsplangebied zijn bijvoorbeeld vanwege bebouwing niet bodemkundig gekarteerd. De aanwezige bodems, aangegeven met de gangbare codes, luiden als volgt:
  1. Jonge rivierkleigronden; kalkrijke ooivaaggronden in lichte en zware zavel en lichte klei (codes: Rd10A en Rd90A)
  2. Jonge rivierkleigronden op oude rivierklei (toevoeging ...m); kalkloze ooi- en poldervaaggronden in zware zavel en lichte klei (codes: Rd10Cm, Rd90Cm en Rn95Cm)
  3. Oude rivierkleigronden; ooivaaggronden in zware zavel en klei (code: KRd7)
  4. Leemgronden; ooivaaggronden in verspoelde löss, colluviaal in hellingvoet of uitspoelingswaaier (code: Ldh6)
Op de hoogste delen van het plangebied (o.a. Heugem) liggen oude rivierkleigronden (ooivaaggronden, code KRd7) aan het oppervlak, maar in het laaggelegen gebied van de Heugemse Overlaat ligt veelal jonge rivierklei op oude rivierklei (ooivaaggronden, codes Rd10C, Rd90C en poldervaaggronden code Rn95C, alle met toevoeging ... m). Poldervaaggronden liggen over het algemeen wat lager en natter dan de ooivaaggronden, wat zich uit in het voorkomen van roest in het bodemprofiel.
 
De oude rivierklei dateert uit het vroeg-Holoceen (en mogelijk ook uit het Laat-Weichselien) en is ten minste 4.000 jaar langer aan bodemvorming onderhevig geweest dan de jonge rivierklei, die overwegend vanaf de Romeinse tijd is afgezet. De oude rivierkleigronden liggen als koppen en ruggen te midden van de jonge rivierkleigronden en zijn daardoor in het open veld veelal goed te herkennen. De sedimenten van de oude rivierkleigronden hebben als oorsprongsgebied de Ardennen en de Eifel. Ze bestaat daarom uit minder siltig materiaal dan de jonge rivierklei. In het plangebied varieert de oude rivierklei van grofzandige, vaak grindhoudende zavel en klei, en is altijd sterk roestig en bevat vrij veel mangaanvlekken en –concreties. De jonge rivierklei is hoofdzakelijk vanaf de Romeinse tijd afgezet en heeft een granulaire samenstelling die sterk overeenkomt met die van löss. Dit is niet verwonderlijk als men bedenkt dat de rivierkleigronden in dit gebied waarschijnlijk voor een belangrijk deel bestaan uit door de Maas verspoelde löss afkomstig uit de bovenstrooms gelegen lössgebieden in Zuid-Limburg en België. Het zijn betrekkelijk jonge gronden en bodemvorming heeft er, afgezien van gedeeltelijke ontkalking, homogenisatie en verbruining in de bovenste lagen, niet in plaatsgevonden.
 
Alleen aan de zuidoostkant van het plangebied komen leemgronden (ooivaaggronden, code: Ldh6) voor die zich hebben gevormd in het colluvium. Dat wil zeggen de geërodeerde löss die zich langs terraswanden, in erosiedalen of als relatief vlakke uitspoelingswaaiers aan de monding van erosiedalen heeft afgezet. Deze ooivaaggronden kunnen als relatief jonge bodems worden beschouwd, waarin tekenen van langdurige bodemprocessen (uit- en inspoeling) ontbreken.